Lokaal Bestuur
Er zijn nog 17 miljoen wachtenden voor u

Boekbespreking.

Wat hebben de hoge kosten van de kinderopvang, ontregelde treindiensten, postbezorgers op slechte flexcontracten en bureaucratie in de zorg met elkaar gemeen? Ze worden allemaal veroorzaakt door mislukte marktwerking, stelt journalist Sander Heijne in zijn boek Er zijn nog 17 miljoen wachtenden voor u.

In een geëngageerd boek legt Sander Heijne op basis van zeven jaar onderzoeksjournalistiek uit waarom de introductie van marktwerking in de publieke sector zo slecht heeft uitgepakt: veel publieke diensten lenen zich inherent niet voor de markt. Niet dat er iets mis is met de markt an sich: voor betaalbaar en lekker brood werkt die bijvoorbeeld prima. Het probleem is dat publieke diensten meestal niet aan de vier basisvoorwaarden voor geslaagde marktwerking kunnen voldoen:

  1. Het ondernemersbelang mag niet botsen met het publiek belang
  2. De afnemer moet betalen voor zijn eigen consumptie
  3. Er moet vrije concurrentie zijn
  4. Er moet een gelijk speelveld bestaan, ook internationaal.

Veel publieke diensten lenen zich niet voor de markt

Als een publieke dienst aan al deze voorwaarden voldoet, dan kan marktwerking een goed idee zijn. Maar de meeste publieke diensten kunnen inherent niet voldoen aan deze basisvoorwaarden. Ten eerste omdat het ondernemersbelang botst met het publieke belang: PostNL wil bijvoorbeeld winst maken voor aandeelhouders, niet zo goedkoop en betrouwbaar mogelijk post bezorgen. Ten tweede omdat de afnemers niet betalen voor hun eigen consumptie: patiënten betalen voor een heel beperkt deel van de zorg waar we gebruik van maken. Ten derde omdat afnemers of aanbieders niet daadwerkelijk over keuzevrijheid beschikken: door patenten kunnen farmaceuten de medicijnprijs enorm opdrijven en mogen er geen goedkopere varianten door concurrenten op de markt gebracht worden. Ten vierde omdat het speelveld ongelijk is: staatssteun is in veel landen staande praktijk en dan is er helemaal geen eerlijke concurrentie als je als een van de weinige stopt met zulke staatssteun. Zo kon het Nederlandse NUON in handen komen van het Zweedse staatsbedrijf Vattenfall.

Heijne roept burgers en politici daarom op om een einde te maken aan marktwerking in de publieke sector. Met name lokale overheden hebben de afgelopen jaren laten zien dat dat kan – wereldwijd draaiden zij de afgelopen vijftien jaar ten minste 835 privatiseringen terug. Tegelijk wil Heijne marktwerking niet politiseren. Marktwerking is niet links of rechts, zegt hij, maar een neutraal mechanisme er zijn simpele voorwaarden te formuleren waaronder het al dan niet werkt.

In de traditie van de Correspondent stelt Heijne zich op als een geëngageerde maatschappelijk ingenieur die de politiek schuwt. Hij stelt zelfs dat het denken van politici stopt als er een nieuw idee postvat en dat politici vaak niet weten waar ze het over hebben. ’Ze doen maar wat’, schrijft hij letterlijk. Het eerste klopt vrees ik vaker dan ons lief is – ik kan me althans genoeg PvdA-commissies herinneren waarin redelijke argumenten op een muur van een in beton gevat credo stuitten en de trein dus voort denderde, terwijl wissels nog verzet hadden kunnen worden. Dat politici ’maar wat doen’, lijkt me voor het overgrote deel van de gevallen echter een onterecht verwijt. Dat politieke besluitvorming niet aansluit bij wat Heijne verstandig vindt, wijst juist op de door hem aangeduide ideologische blindheid, tunnelvisie en alternatiefloosheid die optreedt zodra een nieuw idee met grote beloften is omarmd. Door politici onkundig te verklaren gebruikt hij een zelfde depolitiserende argumentatie als veel voorstanders van marktwerking en miskent hij dat ook een overheid die geen marktwerking in de publieke sector hanteert democratisch gecontroleerd moet worden. Inderdaad, met alle voordelen én gebreken van dien.

Politici hebben journalisten en wetenschappers nodig die ideeën als marktwerking kritisch tegen het licht houden

Heijnes boek echoot recent werk over neoliberalisme van bijvoorbeeld Dani Rodrik, die neoliberalisme ‘slechte economie’ (‘bad economics’) vindt en van Colin Crouch, die marktwerking in de publieke sector als neoliberaal marktfalen beschouwt. Anders dan Crouch stelt Heijne echter niet de vraag wiens belang die marktwerking dient. Hij vraagt ook niet hoe het kan dat die ideologische blindheid in kringen van beleidsmakers zo lang heeft aangehouden en nog steeds niet overboord gezet is.

Politici hebben journalisten en wetenschappers nodig die ideeën als marktwerking kritisch tegen het licht houden. Heijnes boek is daarvan een uitstekend voorbeeld. Wie in heldere en begrijpelijke taal complexe problemen kan terugbrengen tot hun essentie beheerst zijn materie. En wie zoals Heijne ook nog een handleiding voor burgers maakt om privatiseringen terug te draaien, doet natuurlijk wél gewoon aan politiek. Al wil hij dat, conform het pragmatische probleemoplossende zelfbeeld van de Correspondent, waarschijnlijk niet zo zien. Maar net zoals er vanaf eind jaren tachtig een marktwerkingsgolf door vrijwel het gehele politieke spectrum rolde, zo kan ook weer een brede politieke en maatschappelijke coalitie ontstaan voor een echt publieke sector. Het is aan burgers, medewerkers uit die (voormalige) publieke sector én politici om daar werk van te maken.

Afbeelding: Nationale Beeldbank