Column
Column: ‘Het’ moet anders

kalkkleinIn feite maakt het niet uit welk rapport je over de stand van onze democratie openslaat: de zorgen over de politiek zijn groot. Of het nu de denktank van de VNG, de ROB of het ministerie van BiZa betreft, allemaal stellen ze, dat kiezers politici niet waarderen en bovendien nauwelijks vertrouwen. Een beeld dat haaks staat op wat je in veel media ziet: van de lachende en grappende politicus, die een kwinkslag maakt naar de verslaggever; de volksvertegenwoordiger die bevlogen een standpunt verkondigt; het Kamerlid dat haar tranen de vrije loop laat als haar wet wordt aangenomen; en niet te vergeten de parlementariër, die tandenknarsend in de trein zit tijdens de stemming van de eeuw.

Die beelden zijn verwarrend en passen niet goed bij elkaar.  Maar dat de politiek en politicus er op zijn minst zorgwekkend voor staan, lijkt helder. Ik weet niet hoe het jullie vergaat, maar ik merk het op allerlei momenten. Als ik vage kennissen tref is het vaak op een wat meewarige toon: ‘Goh jij werkt toch nog steeds bij de PvdA, zal wel niet zo leuk zijn op dit moment.’ En wat cynischer: ‘Ik heb altijd op die club van jou gestemd, maar dat ga ik mooi niet meer doen.’ Of als er op een feestje ginnegappend wordt gedaan: ‘Ja, daar zul jij wel niet om kunnen lachen, want jij bent toch van de politiek?’ En tot slot de meelevende reactie van ‘heb je nou nog geen andere baan?’

Ik maak me daar zorgen over. De mensen, die ik spreek, zijn namelijk vaak hoogopgeleid, behoren tot de middenklasse, en hebben de middelbare leeftijd bereikt: mijn soort mensen zeg maar. Mensen die in het algemeen toch redelijk weldenkend zijn, niet het type dat varkenskoppen ophangt als het over vluchtelingenopvang gaat. Mensen ook die het niet slecht hebben, die met een goede baan zonder kleerscheuren door de crisis zijn gekomen en waarvan de kinderen inmiddels ook goedbetaald werk hebben gevonden.

Als je verder doorvraagt blijkt de onvrede vaak ongrijpbaar. Er worden zelden inhoudelijke argumenten gegeven en het gaat altijd over het gevoel: ‘Laat een ander het nou maar eens proberen’ en ‘ik heb het nu wel even gehad met jullie.’ Of je hoort het alomvattende argument dat ‘het’ nu echt anders moet. Maar wat is ‘het’? Wie dat vraagt, krijgt vaak vage antwoorden. ‘Het’ is alles. ‘Het’ gaat over de ander, die profiteert, ons voedsel eet en onze spullen steelt. ‘Het’ staat voor alles wat slecht is, al kan men niet meteen benoemen wie of wat ‘het’ dan is. Voor iedereen is ‘het’ weer anders. Daarmee blijft het ongrijpbaar, maar het is wel een bedreiging.

Bij mijn soort mensen staat ‘het’ voor de afbrokkelende solidariteit, toch het fundament van onze samenleving. Van een middenklasse, die zich niet meer verwant voelt met andere groepen in de samenleving en steeds minder bereid is solidair met hen te zijn. Boosheid is er over de hoge belastingen, want die worden toch alleen maar gebruikt voor de uitkeringen. En men maakt zich ook druk over de zorgpremie, die door al die er op los levende asocialen eveneens dit jaar alweer omhoog is gegaan. Of je hoort mensen die tien jaar voor het bereiken van de AOW-leeftijd al klagen over hun pensioen dat mogelijk lager zal zijn, doordat al die oudjes van nu vier keer per jaar op vakantie gaan.

Als er al invulling gegeven wordt aan ‘het’, dan gaat het altijd over iets wat men niet langer over heeft voor de ander en de samenleving. Een gevolg van de doorgeschoten individualisering, egoïsme of narcisme? Zolang ik het goed heb, doet de ander er niet toe, dat idee. Sommigen stemmen D66, een enkeling wil Wilders een kans geven en weer anderen stemmen, aangezien ‘het toch niet uitmaakt’, in het geheel niet.

En dat zijn dan de mensen die op mij lijken. Als zij zich al zo afkeren, hoe staat het dan met de mensen die wel redenen hebben om zich zorgen te maken? Die zonder baan zitten, geen opleiding genoten hebben of op een andere manier langs de zijkant staan. En nee, ik heb ‘het’ antwoord niet. Ik zie alleen een grote onvrede die doet denken aan de opkomst van de LPF veertien jaar geleden. Het grote verschil is wel, dat Fortuyn destijds een beperkte groep – de boze witte man – aansprak en niet mijn soort mensen. Anno 2016 lijkt het echter of iedereen vindt dat ‘het’ anders moet.

  

Bijschrift afbeelding: Met de iconische verkiezingsleus ‘Samen voor ons eigen, laat de rest de rambam krijgen’ wisten Jacobse en Van Es menig kiezer te verleiden 

Afbeelding: Roel Bazen | Hollandse Hoogte